Consumenten van zuivelproducten baseren hun aankopen in eerste instantie vaak op versheid, kwaliteit en smaak, gezondheid en de prijs. Dierenwelzijn, milieu, duurzaamheid, sociale rechtvaardigheid en ambachtelijkheid zijn argumenten van minder betekenis. Ook bij de uiteindelijke aankoop scoren ze laag. Een kleine groep vindt deze waarden wel belangrijk en handelt daar ook naar.

Indien gezondheid, smaak en kwaliteit van een product gecorreleerd kan worden aan duurzaamheid bij de productiewijze biedt dit nieuwe kansen voor de vermarkting ervan. Dan sluiten belangrijke consumentenwaarden aan bij waarden die in de maatschappelijke context juist wel belangrijk gevonden worden maar zich (nog) niet uiten in ander consumentengedrag in de markt.

De meerwaarde van natuurinclusieve melk gaat daarom om een ketengerichte aanpak met zowel aanpassingen en een duurzame manier van werken bij boeren en anderzijds om een aanpak bij de verwerker t.a.v. ontwikkelen zuivelproducten waarin meerwaarde tot uiting komt in een hogere kwaliteit, georganiseerd in aparte melkstromen en verwaarding.

Dit is wat Stichting Natuurlijk Melken 2050 met partners wil realiseren. Een eerste onderzoek is gedaan naar de relatie tussen kwaliteit van melk en natuurinclusiviteit. Deze voorfase van het Melklab is in 2017 gedaan door een student van Van Hall Larenstein, waarbij de relatie tussen het (gras)landgebruik en de melksamenstelling is nagegaan in een literatuurstudie en één meetmoment. Hieruit blijkt dat de resultaten veelbelovend – maar nog indicatief – zijn voor met name natuurinclusieve bedrijven met veel weidegang, eventueel in additie met de actieve toepassing van kruiden in het rantsoen van de melkkoeien.  De vetzuursamenstelling lijkt hier gunstiger (gezonder), het gemiddelde aantal mineralen en vitaminen lijkt hoger en de smaak lijkt goed. Belangrijk is om een betere onderbouwing te vinden tussen bedrijfsvoering en samenstelling van deze natuurinclusieve bedrijven met veel gras, door in een vervolgonderzoek het aantal variabelen terug te brengen en over een langere periode te onderzoeken.

Het volgende is nodig om dit eerste vooronderzoek om te zetten naar innovatie met betere onderbouwing en co-creatie met boeren en verwerkers:

  1. Vervolgonderzoek op bredere schaal voor verdere onderbouwing
  2. (met boeren) ontwikkelen van concrete handvatten, waarmee op het primaire melkveebedrijf belangrijke managementfactoren te beïnvloeden zijn, zodanig dat er een zo optimaal mogelijk zuivelproduct geproduceerd kan worden. Het volgen van deze handvatten kan verwerkers een zekere garantie geven op het realiseren van betere kwaliteiten
  3. (met verwerkers) de ontwikkelde methode voor boeren omzetten naar beleid van de verwerker (voor boeren) plus vertalen naar productontwikkeling binnen specifieke korte ketens met bestaande (De Fryske, De Tjonger, Weide Weelde) en mogelijk nieuwe zuivelproducten.

Deze punten zijn met nieuwe partners in de zuivel en met Living Lab vertaald naar een projectplan wat nu financiering is ingediend bij potentiële financiers.